A. Wat neem ik waar?

Het is belangrijk om elke dag opnieuw de ontmoeting aan te gaan en om je open, zonder oordeel te verbinden met de ander. Elke dag liggen er weer nieuwe mogelijkheden. Je vraagt je af: ‘Wat heeft die ander nu nodig; hoe wil deze persoon begeleid worden?’ Je staat open voor deze mens en de mogelijke ontwikkelingskansen die er liggen. Je sluit aan en gaat open op weg met elkaar. Om dat te kunnen doen, is het belangrijk om elke dag open waar te nemen. Hieronder staat een oefening die je daarbij helpt.

Je waarneming oefenen en verbeteren

Onderscheid de waarneming van ‘feiten’ en ‘persoonlijke belevingen’. Beide zijn belangrijk.

Deze oefening kan je individueel doen en als team. Dit doe je aan de hand van de situatie van een bewoner. Is er een vraag waar jullie specifiek naar willen kijken? Is er een probleem dat zich aandient? Je kunt dit ook goed oefenen door te beginnen met het waarnemen van een ‘voorwerp’. Kies dan bijvoorbeeld iets uit de natuur of uit je omgeving, bijvoorbeeld de woonkamer.
Per persoon ga je met onderstaande vragen aan de slag. Daarna wissel je uit.

1. Wat zie ik?
Beschrijf zo objectief mogelijk wat je ziet. Wat is de kleur, de vorm, de grootte, is het stilstaand of kan het bewegen? Is het levend of is het materiaal?
Of:
Beschrijf zo objectief (feitelijk) mogelijk wat je waarneemt aan de bewoner: zijn lichaamsbouw, zijn lengte, zijn postuur, de kleur van zijn haren, de kleur van zijn ogen, zijn bewegingen, de klank van de stem.

2. Wat beleef ik?
Bij deze stap schrijf je op en wissel je later uit hoe je het contact met het item of met de bewoner beleeft. Wat roept de ontmoeting bij je op aan sfeer, aan gevoel? Kun je de beweging die je waarneemt benoemen? Wat beleef je eraan als je de beweging zelf nabootst? Het subjectieve (persoonlijke) in ieder van jullie wordt in deze stap bewust
waargenomen en benoemd.
Wat zegt dit over jouzelf? Wat hoort bij jou? Wil je daar iets over delen? Zijn er ook gedeelde persoonlijke belevingen? Wat past hiervan bij de bewoner? Kun je daar iets over vertellen?

3. Wat spreekt daaruit?
Kijk terug op dat wat je hebt opgeschreven bij stap 1 en stap 2. Onderstreep de voor jou belangrijke woorden. Wat valt je op? Wat komt er naar voren als essentie, als beeld?
Omschrijf dit zo kernachtig mogelijk en wissel dit uit met je team.

B. Wat voel ik?

Hieronder staan een aantal ervaringen van begeleiders over verbinding en ontmoeting aangaan. Herken jij daar iets van?

Begeleider: Het plezier en de spontaniteit van mijn cliënten werkt aanstekelijk. Ik voel me dan ook fijn.

Begeleider: Ritme en balans komen in het dagelijkse leven in de instelling onder andere terug in de dagopening en jaarfeesten. Jaarfeesten maken het bijzonder. Gezelligheid en samenzijn met iedereen en alles.

Begeleider: In de ontmoeting: oprechte vragen van bewoners die verbinding en gelijkwaardigheid scheppen. Je leert van elkaar door elkaars interesse te volgen of even iets aan te raken, waardoor een vuurtje aangewakkerd wordt. De openheid en onbevangenheid die je vaak ontmoet in contacten. Bij bewoners misschien nog wat meer dan bij medewerkers.

Begeleider: Ik ben zelf heel open in waar ik mee zit en waar ik mee worstel in mijn leven, daarmee is de verbinding met collega’s meer gelijkwaardig. Ik hoop dat zij hetzelfde doen. Goed voorbeeld doet volgen. Dat is een houding die ik heb. Daarmee schep je met elkaar een open sfeer waarbij ook de moeilijke dingen er mogen zijn. Dat geldt voor iedereen, ook voor onze cliënten. Daarin zijn we gelijkwaardig aan elkaar.

Het gevoel van verbinding kan je vaak ook in je lichaam voelen. Sommige mensen spreken van ‘hart tot hart contact’, anderen beschrijven het als een warm gevoel van binnen of een tinteling of een gevoel van blijdschap als je iemand ziet of spreekt. Ook als je de verbinding juist niet als prettig ervaart, dan kun je dat in je lichaam merken. Sommige mensen merken bijvoorbeeld dat hun ademhaling sneller en hoger wordt als ze geen fijn contact ervaren. Andere mensen merken bijvoorbeeld dat ze dan sneller gaan gapen. Door hier even bij stil te staan, kan je het bij jezelf ook sneller herkennen.

Wanneer voelt voor jou contact met iemand fijn? Hoe merk je dat in je lichaam? En wat gebeurt er in jou als er geen fijn contact is? Hoe merk je dat in je lichaam?

Om iemand beter te leren kennen helpt het om je in te leven in deze persoon. Daar kun je één van de volgende oefeningen voor doen.

Oefening: In de schoenen van de ander

  • Een mooie oefening is dat je figuurlijk in de schoenen van de ander gaat staan en je je inleeft in deze persoon. Je zoekt de houding die deze persoon karakteriseert en neemt deze aan, doet deze na. Je loopt een rondje door de ruimte en probeert je daarbij in te leven in het bewegingspatroon van deze persoon, je probeert zijn manier van bewegen en lopen na te doen. Het mooiste is om dit te doen in bijzijn van je collega’s. Je kunt dit één voor één doen: iedereen ervaart hoe het is om te bewegen zoals de cliënt dat doet.
  • Daarna reflecteer je met elkaar welk gevoel dit bewegen bij je oproept.
  • Wissel daarover uit. Wat valt je op? Waardoor herken je de persoon die je nadoet?
  • Hoe voelt het in jouzelf om zo te bewegen? Welke kwaliteit ervaar je? Is het beweeglijk, star, stromend, houterig of anders? Hoe zou jij dit omschrijven?
  • Wat zegt het over deze persoon? Wat doet dat met jouw beeld van deze persoon? Verandert er iets?

Oefening: Sculpting

  • Vraag 2 mensen om in de rol te kruipen van cliënt/kind en begeleider.
  • Vraag deze mensen om als een standbeeld weer te geven hoe de cliënt/het kind en de begeleider de verbinding aangaan/met elkaar in verbinding staan (er wordt daarbij niet gesproken).
  • Vraag achtereenvolgens de ‘cliënt/het kind’ en de ‘begeleider’ wat zij feitelijk zien/waarnemen. Stel daarna deze vraag aan de rest van het team. Wat zien zij?
  • Bespreek de bevindingen met elkaar na.

C. Wat weet ik?

Wat weet je over de verbinding van deze cliënt met anderen?
Wat weet je zelf? Wat staat erover in het dossier?

Wat weet je over hoe iemand communiceert?

Wat zijn voor het kind of voor de cliënt mogelijkheden om tot communicatie te komen? Neemt iemand initiatief tot contact? Moet je stil aansluiten, of met gebaren werken, of dingen vertellen? Spreek je in “je-vorm” of “we-vorm”? Wat heeft hij of zij nodig? Hoe leg je zelf contact? 

Wie zijn de belangrijke personen voor jouw cliënt?

Jouw cliënt heeft andere mensen om zich heen met wie hij al vertrouwd is. Wie zijn deze mensen? Weet je waar en wanneer hij deze mensen heeft ontmoet? Waardoor komt het dat deze mensen zo belangrijk zijn voor hem? Welke betekenis hebben deze voor hem? Hoe kun je de ervaring en kennis van deze mensen gebruiken zodat jij kunt bouwen aan een vertrouwde relatie? 

Op welke momenten voelt het kind/de cliënt zich bij jou op zijn gemak? Waar zie of merk je dit aan?

Wat werkt versterkend in de verbinding met deze cliënt/dit kind?

De verbinding kun je opbouwen door aan te sluiten bij die dingen die prettig en vertrouwd zijn voor een cliënt/kind. Je weet waar hij zich veilig bij voelt en waar hij blij van wordt. Je weet wat hem ontspanning geeft. Je weet welke activiteiten hij leuk vindt om te doen.

Wat kun je samen doen om elkaar te leren kennen en om vertrouwd te raken met elkaar?

Wat is verstorend in je verbinding met deze cliënt/dit kind?

Wat is voor het kind/jouw cliënt niet prettig om mee te maken? Wat veroorzaakt stress? Wat doet hij dan? Trekt hij zich terug of loopt hij weg, reageert hij agressief? Het is soms lastig om contact te krijgen. Juist bij stress is jouw contact en verbinding belangrijk en een eerste levensbehoefte. Het kind of de cliënt ervaart aan jou dat jij stabiel bent en dat je in verbinding blijft. Jij weet dat de omstandigheden de cliënt stress kunnen geven. Je onderzoekt wat nodig is om ook in zo’n situatie de verbinding aan te gaan. Je kijkt of je deze omstandigheden gunstiger kunt maken voor de cliënt/het kind.

Lukt het je om rustig en in verbinding te blijven bij stress bij deze cliënt/dit kind? Weet je waardoor deze stress is ontstaan? Weet je hoe je de situatie kan beïnvloeden? Wat kan jou en de cliënt/het kind hierin helpen?

Je weet wat deze cliënt/dit kind aankan

In de praktijk blijkt dat een goed beeld van de emotionele ontwikkeling van een cliënt/kind nodig is om in je begeleidingsstijl goed te kunnen aansluiten. Het is belangrijk om te weten wat een cliënt of kind aankan. Daarbij is je praktijkervaring belangrijk. Je kent de cliënt/het kind en weet hoe hij kan reageren op bepaalde situaties en wat voor hem helpend is om deze situaties te hanteren. Sommige situaties probeer je te voorkomen door je programma of je activiteit aan te passen.

Ouder: Wees verbonden met de ander zodat je kunt voelen wat die beleeft en zodat die ander kan voelen dat hij/zij iets voor jou betekent: de bewoner voelt waar jouw aandacht en interesse is. Wees nieuwsgierig naar de bijzonderheid van het individuele en naar de bijzonderheid van het afwijkende. Daar zitten enorme waarden en kansen en  betekenissen in.

Het aangaan van verbinding

Relatieopbouw en verbinding is belangrijk in je werk. Vanuit een vertrouwde verbinding is veel mogelijk. Het vertrouwen kan je opbouwen door samen met een activiteit bezig te gaan. De verbinding met de ander én het samen actief bezig zijn hebben elkaar nodig. Door de activiteit krijgt je relatie (je verbinding) richting en inhoud. Je bouwt samen aan  vertrouwen. De verbinding én het samen actief worden hebben elkaar nodig. De samenhang is verbeeld in de ABC-driehoek:

  • A staat voor Activiteit of actief bezig zijn
  • B staat voor Begeleider
  • C voor Cliënt

Deze ABC-driehoek moet je niet verwarren met de samenwerkingsdriehoek tussen de begeleider, de cliënt en de ouder uit de driehoekskunde van Chiel Egberts. 

camino 07 03

De basislijn van deze driehoek (de horizontale lijn) staat voor de verbinding tussen Begeleider en Cliënt. Dit is je vertrekpunt om samen actief bezig te zijn. Je zoekt aansluiting. In de top van de driehoek staat de Activiteit. Je contact en je aansluiting groeit en krijgt vorm en inhoud als je samen actief bent. Door deze ervaringen leer je allebei. Vertrouwen groeit. Soms ontstaat er pas écht verbinding doordat je samen iets doet.

Verschillende vormen van verbinding

Je kunt contact maken en verbinding hebben op verschillende manieren. Hieronder noemen we een aantal voorbeelden.

  • Oogcontact: je hebt contact door elkaar in de ogen te kijken.
  • Ademhaling: je kunt contact maken door jullie ademhaling op hetzelfde ritme te laten gaan.
  • Aanraken: door bijvoorbeeld elkaars hand aan te raken of een knuffel te geven.
  • Luisteren: door te luisteren naar de geluiden of het verhaal van de ander.
  • Hartscontact: soms voel je een warmte in je hart, een gevoel van geluk als je met de ander in verbinding bent.
  • Natuur: door samen naar het stromende water te luisteren of de wind in je haren te voelen, kan er een mooie verbinding voelbaar zijn.
  • Ruiken: iedereen heeft zijn eigen lichaamsgeur die kenmerkend is voor jou. Als iemand niet kan zien, kan er toch direct al contact zijn op het moment dat iemand ruikt dat jij het bent.
  • Ervaren: door samen activiteiten te doen, beleef je iets. De gedeelde ervaring geeft verbinding.
  • Ritme: door bijvoorbeeld hetzelfde ritme te trommelen of zingen, voel je de verbinding samen.
  • Onderdeel zijn van iets: ook zonder dat je elkaar ziet, kun je je toch verbonden voelen. Bijvoorbeeld wanneer je een kaartje ontvangt van iemand en weet dat iemand aan je denkt. Of als je bezig bent om kaas te maken, en weet dat een andere bewoner de koe heeft gemolken waar jij kaas van aan het maken bent.
  • Samen zijn: ook als je niet praat en geen activiteit doet samen, dan kun je verbinding voelen door gewoon samen in dezelfde ruimte te zijn. De aanwezigheid van de ander kan een bepaalde rust geven.

Op welke manieren maak jij contact met cliënten? Hoe maak jij verbinding?

D. Wat doe ik?

Ermee aan de slag: Hoe ga je het contact aan?

Oefening: Beter aansluiten

Je gebruikt in deze oefening je eigen ervaring om een cliënt beter te leren kennen in het aangaan van je verbinding zodat je goed kunt aansluiten. Kies daarvoor één of twee situaties uit die herkenbaar zijn voor deze cliënt en zoom daar op in. Onderzoek wat er gebeurt in deze situaties.

  • Wat neem je waar? Neemt de cliënt initiatieven tot contact? Hoe doet hij dat? Maakt de cliënt oogcontact, reageert hij op aanraking, waar reageert hij op? Wanneer trekt hij
    zich juist terug?
  • Onderzoek ook je eigen gedrag en handelen en de reacties van de cliënt op jouw handelen.
  • Reflectie: Daarna denk je na over wat je hebt waargenomen en ervaren. Je maakt een beeld over de manier van het contact met deze cliënt (nabijheid of meer afstand,
    met woorden of met houding en gebaren) en je probeert ook de verschillende variaties te onderscheiden. Er is niet maar één manier. Je probeert ook dingen uit en ontdekt ook spontaan nieuwe mogelijkheden die aansluiten.
  • Reflectie op jezelf: Dit onderzoek is ook een mogelijkheid om jezelf beter te leren kennen: hoe ben ik als mens en hoe ga ik dat contact aan? Hoe gedraag ik me? Wat straal ik uit, welke sfeer neem ik mee? Hoe is mijn uitdrukking in mijn gezicht? Wat doet mijn stem? Welke stijl gebruik ik? Ben ik vriendelijk? Ben ik direct of juist niet? Stel ik me bepalend op en neem ik de regie of geef ik juist ruimte? Wat ervaar ik in de situatie als de passende begeleidingsstijl? Hoe dicht ben ik bij hem; wat voelt als de juiste afstand? 

Soms loopt het contact en de verbinding met de ander vast. Onderstaande ervaring is daar een voorbeeld van.

Voorbeeld: Daan

Daan is 14 jaar en loopt met gefronste wenkbrauwen met snelle bewegingen rond in de kamer en stoot daarbij diepe klanken uit. Ik zie aan hem dat het niet goed met hem is. Hij
grijpt de bloempot uit de vensterbank en gooit deze op de grond. Ik ga naar hem toe en probeer contact te krijgen door mijn linkerhand op zijn rechterbovenarm te leggen en met
mijn rechterhand zoek ik zijn hand op. Deze pak ik vast, rustig maar ook met een ferme handdruk. Daan draait met een onrustige beweging zijn hele lijf naar links en trekt zich los van mijn hand. Hij slaat zichzelf hard op zijn wang en schreeuwt met een hoge krachtige klankstoot. Ik hoor de klap op zijn gezicht. Ik blijf rustig en beweeg me naast hem en pak
opnieuw zijn hand vast.

Reflectie op de casus: Je merkt het zelf als een kind of cliënt zich niet op zijn gemak voelt. Dat voel je. Soms voel je zijn spanning dan ook letterlijk in jouw lichaam. Als een kind of cliënt zichzelf pijn doet of als je ziet dat hij lijdt en in nood is, dan doet dat jou ook pijn. Je lijdt met hem mee. Je probeert hem te helpen zodat hij zich weer beter voelt. Dan voelt dat ook voor jezelf beter. Als dat niet lukt dan kun je je soms machteloos voelen. Je wilt contact maken en verbinding voelen maar het lukt je niet op dat moment.

Wat doet het met jou als een kind of cliënt zichzelf pijn doet? Waar voel jij dat in jouw lichaam?

Begeleider: Bij gedragsproblemen waarbij je je geen raad weet, geldt: “You are the key!”

Als je merkt dat het contact moeizaam gaat, is het helpend om daarover in gesprek te gaan. Dat is allereerst ‘in gesprek gaan met jezelf’. Je vraagt je bij jezelf af hoe het met je is en hoe je erbij zit. Je kunt met je naaste collega’s je situatie delen en vragen om mee te kijken. De reflectievragen op de volgende pagina kunnen je daarbij helpen.

E. Wat doet het met mij/de cliënt?

Reflectie: Onderzoek hoe je omgaat met het aangaan van verbinding met de ander. Wat kun je daarin doen en leren?

Kijk elke keer: hoe stap jij in je werk als je begint? Met welke houding innerlijk en uiterlijk doe je dat?

  • Ben je je bewust van hoe je je voelt op dat moment?
  • Ben je in staat om innerlijk ruimte te maken en je aandacht volledig te richten op de ander? Ben je beschikbaar voor die ander?
  • Welke houding neem je aan? Stel je je gesloten en teruggetrokken op of is je houding rustig, open en aanwezig?
  • Hoe loop je dan? Wat is je tempo?

Ben je in staat om vrij, zonder oordeel, vooraf de verbinding aan te gaan?

  • Heb je oordelen die deze onbevangen verbinding in de weg zitten? (Bijvoorbeeld: hij zal dat vast weer doen en vervelend reageren.)
  • Lukt het je om weer ‘nieuw en schoon’ in het contact te stappen?
  • Lukt het je om je eerdere ervaringen met deze persoon een plek te geven en opnieuw met interesse en een nieuwsgierige houding te ontdekken hoe het vandaag gaat?
  • Om ‘schoon’ waar te nemen is het van belang dat je je afvraagt waar je eigen belevingen en oordelen vandaan komen. Zegt jouw stemming iets over wat je eerder hebt meegemaakt, iets wat je doet herinneren aan bepaalde gebeurtenissen of (onbewust) gevoelens en oordelen bij je oproept? Lukt het je om deze te (h)erkennen en los te laten?
  • Lukt het je om open te staan voor nieuwe mogelijkheden om aan te sluiten en deze met rust en actieve alertheid samen te ‘vinden’?

Angst of stress verstoren de verbinding met de ander. Wees je bewust hiervan.

  • Heb je angst of stress bij het aangaan van de ontmoeting met de ander?
  • Ben je boos, ongeduldig of verveel je je?
  • Weet jij waar jouw angst, stress of boosheid vandaan komt?
  • Wees je bewust van deze gevoelens en onderzoek hoe je hiermee kunt omgaan.
  • Onderzoek wat jij nodig hebt om opnieuw vertrouwen op te bouwen.
  • Wees open over je stress. Bespreek het met je collega’s, met je leidinggevende of de gedragskundige. Houd het niet bij jezelf. 

Samenvatting

In onderstaande tabel zie je in de kolom ‘Ontmoeting en verbinding aangaan’ de samenvatting van dit hoofdstuk.

camino 07 04

Werken met Camino en het Antroposofisch begeleidingshuis

Zijn er onderwerpen waar je meer over wilt weten? Neem dan een kijkje in www.werkenmetcamino.nl het digitale antroposofische begeleidingshuis.

Camino

Met de download link hier onder kun je de Camino in PDF formaat downloaden. Dit betand is 10 Mb groot. Wil je liever de Camino als papieren versie ontvangen? Kies dan de button 'Bestel Camino'.

Download Camino (PDF)Bestel Camino